De Tweede Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers van minister Hans Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De wet moet flexwerkers meer zekerheid geven over inkomen, werktijden en arbeidsvoorwaarden. Ook worden regels voor tijdelijke contracten en uitzendwerk aangescherpt.
Het wetsvoorstel maakt deel uit van het bredere arbeidsmarktpakket en gaat nu naar de Eerste Kamer. De onderdelen over gelijke arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten moeten naar verwachting op zijn vroegst per 1 januari 2027 ingaan. De overige maatregelen volgen waarschijnlijk per 1 januari 2028.
Basiscontract vervangt veel oproepcontracten
Een van de grootste veranderingen is de invoering van het zogenoemde basiscontract. Daarmee verdwijnen nulurencontracten en veel min-maxcontracten voor reguliere werknemers grotendeels.
Werkgevers moeten straks een minimumaantal uren afspreken waarvoor werknemers standaard worden betaald en ingeroosterd. Het maximum aantal uren mag daarbij niet hoger liggen dan 130 procent van het minimumaantal uren. Werknemers mogen oproepen boven dat maximum weigeren.
Volgens het kabinet moeten werknemers hierdoor meer zekerheid krijgen over hun inkomen en beschikbaarheid. Voor scholieren, studenten, AOW-gerechtigden en seizoenswerkers blijven uitzonderingen bestaan. Zij mogen onder voorwaarden wel op oproepbasis blijven werken.
Langere tussenperiode bij tijdelijke contracten
Ook de ketenregeling wordt aangepast. Werkgevers mogen werknemers na een tijdelijk contract niet meer na zes maanden opnieuw een tijdelijk contract aanbieden, maar pas na een onderbreking van drie jaar. Daarmee wil het kabinet zogenoemde draaideurconstructies tegengaan, waarbij werknemers langdurig via opeenvolgende tijdelijke contracten blijven werken zonder uitzicht op een vast dienstverband. De Tweede Kamer bracht eerder een wijziging aan op het oorspronkelijke voorstel. Daarin was nog sprake van een tussenperiode van vijf jaar.
Strengere regels voor uitzendwerk
Voor uitzendkrachten verandert eveneens veel. De maximale duur van fase A wordt verkort van 78 naar 52 weken. Daarnaast wordt fase B teruggebracht naar maximaal zes tijdelijke contracten in twee jaar. Daarmee wordt de totale periode waarin uitzendkrachten flexibel kunnen worden ingezet zonder vast contract korter.
Daarnaast krijgen uitzendkrachten recht op een breder pakket aan arbeidsvoorwaarden dat gelijkwaardig moet zijn aan dat van werknemers in dienst bij de opdrachtgever. Het gaat dan niet alleen om loon en vakantiedagen, maar bijvoorbeeld ook om bonusregelingen en pensioenvoorzieningen. Die aanscherping volgt op eerdere uitspraken van het Europees Hof van Justitie over gelijke behandeling van uitzendkrachten.
Meer bescherming bij ziekte
Ook de positie van zieke uitzendkrachten verandert. Nu kan een uitzendkracht met uitzendbeding het inkomen vrijwel direct verliezen bij ziekte. Onder de nieuwe regels ontstaat een loondoorbetalingsplicht, ook als dit niet expliciet in de cao is geregeld.
Gevolgen voor werkgevers en HR
Voor HR-afdelingen en werkgevers betekent de wet dat bestaande contractvormen opnieuw tegen het licht moeten worden gehouden. Vooral organisaties die sterk leunen op oproepkrachten, zoals in horeca, zorg en logistiek, krijgen te maken met minder flexibiliteit in de personeelsplanning.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat de wet moet bijdragen aan meer bestaanszekerheid en een gelijker speelveld op de arbeidsmarkt. Werkgeversorganisaties en vakbonden steunen grote delen van het arbeidsmarktpakket, al bestaan er in de praktijk zorgen over uitvoerbaarheid, administratieve lasten en de gevolgen voor sectoren met sterk wisselende werkvolumes.
Lees ook: Zzp-moeders met basisschoolkinderen meest positief over ondernemerschap