De Tweede Kamer heeft op 21 april ingestemd met een amendement op de Wet meer zekerheid flexwerkers dat ingrijpt op de manier waarop van het principe van gelijke beloning voor uitzendkrachten kan worden afgeweken. Brancheorganisatie NBBU reageert fel en “is zeer verbolgen over deze wijziging”.
Het uitgangspunt blijft dat uitzendkrachten recht hebben op dezelfde arbeidsvoorwaarden als werknemers in dienst bij de opdrachtgever. In de praktijk kan daar via cao van worden afgeweken, zolang sprake is van een gelijkwaardig totaalpakket.
Met het aangenomen amendement krijgt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bevoegdheid om via een algemene maatregel van bestuur (AMvB) arbeidsvoorwaarden aan te wijzen waarvoor die afwijking niet meer is toegestaan. Voor die onderdelen moet de beloning dan op dezelfde manier worden toegekend als bij werknemers in dienst.
Een verdergaand voorstel van GroenLinks-PvdA om gelijkwaardig belonen volledig af te schaffen haalde het niet.
Kritiek vanuit uitzendbranche
Brancheorganisatie NBBU reageert zeer kritisch en spreekt van een breuk met eerdere afspraken. Volgens de organisatie wordt hiermee ingegrepen in een systematiek waar de sector de afgelopen jaren intensief aan heeft gewerkt.
“Gelijkwaardige beloning is de basis van alle afspraken in de uitzendsector”, zegt Lucy Guardiola, hoofdonderhandelaar van de cao voor uitzendkrachten bij de NBBU. “Hier is jarenlang met alle betrokken partijen naartoe gewerkt.”
De regeling is bovendien nog maar kort van kracht. “Gelijkwaardig belonen is pas per 1 januari 2026 ingevoerd en vormt de grootste wijziging sinds de cao zelf”, aldus Guardiola.
Volgens de NBBU ondermijnt het amendement bestaande afspraken tussen sociale partners. “De spelregels worden tijdens de wedstrijd aangepast. Het is voor ons niet uit te leggen.”
Zorgen over uitvoerbaarheid
Naast principiële bezwaren wijst de NBBU op de praktische gevolgen. Het uitgangspunt dat uitzendkrachten per saldo gelijk verdienen aan werknemers in dienst bij de opdrachtgever, vraagt volgens de organisatie al om een complexe uitwerking per arbeidsvoorwaarde.
Nieuwe ingrepen vergroten die complexiteit verder, stelt de brancheorganisatie. “Met nieuwe wijzigingen loopt de regeldruk nog verder op”, aldus Guardiola. “De uitvoer is niet bij te benen en onhoudbaar.”
De sector wijst daarbij ook op andere aankomende wetgeving, zoals de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta), die eveneens impact heeft op de uitvoering.
Wetsvoorstel en amendementen
De stemming van 21 april betrof amendementen op het wetsvoorstel Wet meer zekerheid flexwerkers, dat momenteel in behandeling is. Dat wetsvoorstel bevat maatregelen om flexwerk te reguleren, zoals het beperken van flexibele contractvormen en aanpassingen in de ketenregeling.
De Kamer stemde nu specifiek over wijzigingen op dat voorstel. Naast het amendement over gelijkwaardige beloning zijn onder meer aanpassingen aangenomen rond vergoedingen bij het overnemen van uitzendkrachten en de onderbrekingstermijn bij tijdelijke contracten.
De wet zelf moet nog verder door het wetgevingsproces. Als deze wordt aangenomen, treedt zij naar verwachting gefaseerd in werking: het deel over beloning per 1 januari 2027 en de overige maatregelen rond flexibele contracten per 1 januari 2028.