Einde zachte landing handhaving op schijnzelfstandigheid(?)

0

“In twee Kamerbrieven van 2 en 6 oktober jl. is staatssecretaris Heijnen ingegaan op de gevolgen van het al dan niet verlengen van de zachte landing in het kader van de handhaving op schijnzelfstandigheid.[1] Dit naar aanleiding van een motie van kamerlid Ergin,[2] die op 2 oktober jl. is aangenomen. In deze motie is verzocht om de handhavingsstrategie van de zachte landing te verlengen tot eind 2026.

De zachte landing, die in het jaar 2025 geldt, houdt (onder meer) in dat een controle op schijnzelfstandigheid in beginsel begint met een bedrijfsbezoek en dat er nog geen boetes opgelegd worden. Hiervoor verwijs ik naar mijn eerdere blog: Flexibiliteit in de knel? De impact van het opheffen van het handhavingsmoratorium – Flexmarkt. Ten aanzien van de aangenomen motie was de vraag vervolgens: hoe gaat het kabinet hier mee om?”

Angelique Perdaems deelt haar expertise in jurisprudentie via columns voor Flexmarkt.

“Samengevat komt het kabinet tot de conclusie dat een verlenging van de zachte landing tot  eind 2026 niet wenselijk is. Dit ten eerste omdat daarmee de beoogde en afgesproken verbetering op de handhaving van schijnzelfstandigheid niet zou worden gerealiseerd. Daarnaast bestaat daarmee volgens het kabinet het risico op het mislopen van € 600 miljoen vanuit de Europese Commissie, nu het verlengen kan worden gezien als het terugdraaien van een reeds behaalde mijlpaal in het zogenaamde Herstel- en Veerkrachtplan. Het risico op het mislopen van € 600 miljoen kan volgens de staatssecretaris niet worden gelopen omdat daarvoor een budgettaire dekking ontbreekt. Hoewel ik de financiële belangen kan begrijpen, mag dit wat mij betreft geen gewichtige reden zijn voor het niet doortrekken van de zachte landing. Het is voor mij dan ook de vraag in welke mate dit argument een doorslaggevende rol heeft gespeeld.”

Geen uitvoering aan de aangenomen motie

“Alles afwegende heeft het kabinet in ieder geval besloten geen uitvoering te geven aan de aangenomen motie. Waar dat enerzijds spanning tussen de Kamer en het kabinet blootlegt, betekent dat aan de andere kant concreet dat de zachte landing naar de huidige stand van zaken eindigt met ingang van 2026. Is dat dan meteen reden tot paniek en grote terughoudendheid bij het inschakelen van zelfstandigen of het werken als zelfstandige? Nee, als je het mij vraagt niet. Hoe abstract het wellicht ook klinkt, zolang aan de wet- en regelgeving wordt voldaan is er weinig aan de hand. En de bewijslast dat dit niet het geval is rust nog altijd op de Belastingdienst. De uitgangspunten uit het Deliveroo-arrest blijven daarbij de maatstaf vormen. Voor boetes geldt altijd zelfs nog de zwaardere bewijslast, namelijk dat de feiten en omstandigheden die volgens de Belastingdienst ten grondslag liggen aan het beboetbare feit (i.e. het ten onrechte niet of te weinig afdragen van loonheffingen) overtuigend aangetoond dienen te worden.[3]”

Lees ook: Flexhub zet groei door met nieuwe coo Martijn Remmelzwaal

 

“Anderzijds is de uitwerking van de wet- en regelgeving in dit kader natuurlijk niet altijd even helder. Er wordt niet voor niets al zolang over gesteggeld. Dat kan onzekerheid met zich meebrengen. Dit erkent de staatssecretaris zelf ook in zijn brief van 6 oktober. Hij geeft aan dat de komende periode daarom ingezet wordt om door middel van communicatie meer bewustwording te creëren over het aangaan van de juiste arbeidsrelatie en over hoe nog wél met en als zelfstandige(n) kan worden gewerkt, om onnodige terughoudendheid onder werkgevenden zoveel mogelijk te voorkomen. Of dit geen doekje voor het bloeden is en hoe dit in de praktijk vormgegeven gaat worden zal moeten blijken uit de voortgangsbrief die in november aan de Kamer zal worden gestuurd. In deze brief zal ook worden ingegaan op een andere aangenomen motie van het lid Vermeer.[4]

Daarin is verzocht om te onderzoeken hoe de communicatie richting zzp’ers en opdrachtgevers kan worden verbeterd. Daarnaast is in deze motie verzocht om aandacht te besteden aan hoe de handhaving kan worden ingericht zodat deze zich uitsluitend richt op structureel misbruik en kwetsbare situaties, en er geen jacht wordt gemaakt op bonafide ondernemers. Opvallend is tot slot dat in de motie van Vermeer tevens is verzocht om te onderzoeken of de zachte landing met één jaar kan worden verlengd. Met de verkiezingen in het vooruitzicht ben ik benieuwd of hier in november anders tegenaan gekeken wordt dan nu het geval is, al zal de kans klein zijn dat er in november al een nieuw kabinet is gevormd.”

Ingroeimodel tot 2030

“Overigens merk ik graag nog op dat het zogenaamde ingroeimodel tot 2030 nog steeds geldend zal zijn, ongeacht of de zachte landing wel of niet verlengd wordt. Dit betekent dat in beginsel alleen met terugwerkende kracht nageheven kan worden voor de loonheffingen tot 1 januari 2025. Alleen bij kwaadwillendheid of als een eerder gegeven aanwijzing niet in voldoende mate is opgevolgd kan ook over tijdvakken van vóór die datum worden nageheven. De Belastingdienst moet mijns inziens echter terughoudendheid betrachten met het toepassen van die uitzondering, zoals ik in mijn eerdere blog al opmerkte: Wet DBA: Van Deliveroo naar Uber en controles door de Belastingdienst – Flexmarkt.”

Wet VBAR

“Tot slot ga ik nog kort in op een ontwikkeling in het kader van het wetsvoorstel Vbar (Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden). In aanvulling hierop is recent namelijk een Besluit gepubliceerd dat nadere invulling geeft aan het element “werken in dienst van (gezag)”.[5] In dit Besluit zijn enerzijds vijf indicaties opgenomen die nader duiden wanneer sprake is van werkinhoudelijke of organisatorische sturing door de werkgever en anderzijds vijf indicaties die nader duiden wanneer sprake is van het voor eigen rekening en risico verrichten van arbeid. Deze indicaties dienen (opnieuw) ter verduidelijking van de vraag wanneer als werknemer gewerkt moet worden en wanneer als zelfstandige.

Het wetsvoorstel Vbar ligt nog voor bij de Tweede Kamer. Ook hiervoor geldt dus, mede met het oog op de aankomende verkiezingen, dat de toekomst ons zal leren hoe we verder gaan in het zelfstandigenlandschap. Aan alle onzekerheid dus zeker nog geen einde. Maar van onzekerheid mogen werkgevers en zelfstandigen niet de dupe worden, dus een gereserveerde houding vanuit de Belastingdienst blijft wenselijk.”

Lees ook: Werkgevers missen kennis over verzuim: welzijn op het werk 
krijgt structureel te weinig aandacht

 

  • [1] Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane van 2 oktober 2025, 2025-0000474411 (rijksoverheid.nl); Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane van 6 oktober 2025, 2025-0000475689 (rijksoverheid.nl).
  • [2] Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 1289.
  • [3] HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
  • [4] Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 1294.
  • [5] Besluit van houdende nadere regels over de beoordeling of sprake is van arbeid verrichten  in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 610, lid 1, van Boek 7 Burgerlijk Wetboek (Besluit verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties).

Over Auteur

Reageren is niet mogelijk.