“Steeds vaker komt in de rechtspraak de toetsing aan de zogenaamde Deliveroo-omstandigheden aan de orde. Aan de hand hiervan wordt beoordeeld of in werkelijkheid al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. Zo ook in een recente zaak die voor de civiele Rechtbank Midden-Nederland diende.[1]”
Angelique Perdaems deelt haar expertise in jurisprudentie via columns voor Flexmarkt.
“Hierin ging het om een accountant die zijn werkzaamheden verrichte via een overeenkomst van opdracht die de BV van de accountant met het accountantskantoor sloot. De kantonrechter komt met inachtneming van de Deliveroo-omstandigheden echter tot het oordeel dat deze opdrachtovereenkomst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Ook volgt uit recente beantwoording van Kamervragen door Minister Paul en staatssecretaris Heijnen over de schijnzelfstandigheid bij verzekeringsartsen UWV dat de bestrijding van schijnzelfstandigheid een belangrijk speerpunt van het huidige (demissionaire) kabinet blijft.[2] Dit zal hoogstwaarschijnlijk niet veranderen met een nieuw kabinet in aantocht. De vraag of in een voorkomend geval sprake is van een arbeidsovereenkomst dan wel een overeenkomst van opdracht zal in de toekomst derhalve een vraag zijn die – onder meer in de rechtspraak – meer en meer aan de orde zal komen.”
Civiele uitspraak Rechtbank Midden-Nederland
“Uit de uitspraak over de accountant kan opnieuw worden afgeleid dat de papieren werkelijkheid zeker niet meer in alle gevallen wordt gevolgd. De rechter kan daar met een holistische toepassing van de Deliveroo-omstandigheden evengoed van afwijken. In dit geval waren daarvoor doorslaggevend de inbedding van de accountant in de organisatie, de verplichting tot het persoonlijk verrichten van de arbeid, het ontbreken van commercieel risico vanwege een vaste maandelijkse vergoeding en de regie van de opdrachtgever over werktijden en werkplek. Allemaal omstandigheden die volgens de kantonrechter beter bij een arbeidsovereenkomst passen dan bij een overeenkomst van opdracht. Met het dwingendrechtelijke karakter van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek dient de gesloten overeenkomst van opdracht daarmee in werkelijkheid te worden gezien als een arbeidsovereenkomst, aldus de rechtbank.
Opvallend in deze uitspraak waren wat mij betreft de oordelen over de wijze en reden van het opzetten van deze constructie door partijen. Zo was de overeenkomst van opdracht in dit geval niet rechtstreeks met de accountant gesloten maar met zijn B.V. De rechtbank kwalificeert dat als een doelbewuste constructie die enkel vanuit een fiscaal aantrekkelijk oogpunt is aangegaan en oordeelt dat partijen zich ervan bewust waren dat in werkelijkheid sprake zou kunnen zijn van een arbeidsovereenkomst.”
Lees ook: Daan heeft Factum overgenomen per november 2025
“Nu dit een oordeel van de civiele rechtbank betreft is het de vraag hoe de fiscale rechter met deze zaak en het feit dat de overeenkomst met de BV is gesloten om zou gaan. Uitgangspunt in het fiscale recht is dat de civiele rechtsverhouding wordt gevolgd. Zo kan herkwalificatie van een overeenkomst één op één doorwerken naar de heffing van belastingen en premies. Daarvan kan echter worden afgeweken indien de civielrechtelijke uitleg onaanvaardbaar is of wanneer de civielrechtelijke uitleg niet past binnen het fiscale systeem.[3] Zo geldt dat de Belastingdienst zeker niet zomaar door een vennootschap heen kan kijken en dat de bewijslast om dat wel te kunnen doen op de Belastingdienst rust.[4]
Mogelijk dat in de zaak van de accountant nog hoger beroep zal volgen. De rechtbank komt mijns inziens wel erg makkelijk tot het oordeel dat het sluiten van de overeenkomst van opdracht met de BV een doelbewuste constructie is die enkel vanuit een fiscaal aantrekkelijk oogpunt is aangegaan en dat partijen zich ervan bewust waren dat in werkelijkheid sprake zou kunnen zijn van een arbeidsovereenkomst. Bewijs van die bewustheid zie ik niet terug.”
Kamervragen schijnzelfstandigheid UVW
“Zoals gezegd volgt uit de recente beantwoording van Kamervragen door Minister Paul en staatssecretaris Heijnen opnieuw het speerpunt van het bestrijden van schijnzelfstandigheid vanuit het kabinet. De ingezette lijn wordt hierin opnieuw bevestigd: risicogerichte handhaving, opheffing van de zachte landing met ingang van 2026 en de inzet op een publiekscampagne over werken met en als zelfstandige(n).
Hoewel de risicogerichte handhaving en het ingroeimodel bij de handhaving welwillend klinken is de praktijk weerbarstig. Zo volgt uit de Kamervragen, waarvoor de aanleiding was een nieuwsbericht over het UWV dat afscheid neemt van tientallen verzekeringsartsen die als zelfstandige hun werkzaamheden verrichtten, dat veel van deze artsen het aanbod om in loondienst te treden hebben afgeslagen. Dit kan in veel branches nog wel eens tot de nodige capaciteitsproblemen gaan leiden. Temeer reden voor de Belastingdienst om terughoudendheid te betrachten en daadwerkelijk risicogerichte handhaving uit te voeren waarbij slechts wordt opgetreden in evidente gevallen van schijnzelfstandigheid. Zoals in mijn vorige blog al benoemd: van onzeker- en onduidelijkheid mogen werkgevers en zelfstandigen niet de (fiscale) dupe worden.[5]”
Tot slot
“In de voortgangsbrief die het kabinet nog deze maand (november 2025) aan de Tweede Kamer zal sturen wordt hopelijk weer iets van onzekerheid weggenomen. Zo zal hierin onder meer nog worden ingegaan op de mogelijkheid tot het verlengen van de zachte landing van de opheffing van het handhavingsmoratorium met één jaar.[6] Men wacht opnieuw in spanning af…”
Lees ook: Flexfamily neemt Level One over
- [1] Rb. Midden-Nederland 19 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5440.
- [2] Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 2025Z18540.
- [3] Zie o.a. Hof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2022:2236, r.o. 4.9.
- [4] Zie in dat kader ook de Memorie van Toelichting bij Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verduidelijken van wanneer sprake is van werken in dienst van een ander in de zin van artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het invoeren van een rechtsvermoeden, voetnoot 81.
- [5] Einde zachte landing handhaving op schijnzelfstandigheid(?) – Flexmarkt.
- [6] De zachte landing houdt onder meer in dat er nog geen boetes worden opgelegd ingeval van fiscale correcties bij de handhaving op schijnzelfstandigheid.