Per 1 januari 2026 gaat het roer om in de uitzendbranche. De nieuwe cao voor uitzendkrachten moet zorgen voor een eerlijkere beloning. Dat is een nobele intentie waar niemand in de branche het mee oneens is. Maar als je de praktijk bekijkt, rijst de vraag: wat schieten we er eigenlijk mee op?
Tot nu toe was het simpel: uitzenders volgden tien elementen uit de inlenersbeloning. Vanaf 2026 moeten ze het volledige arbeidsvoorwaardenpakket van de opdrachtgever doorvoeren. Niet alleen het basissalaris, maar ook vakantiedagen, toeslagen, pensioenregelingen en zelfs voorwaarden over bijvoorbeeld een leasefiets of sportabonnement. Dat klinkt rechtvaardig, maar het is een administratieve nachtmerrie. Niet zelden moet een uitzendbureau vijftig cao’s in beeld hebben en de daarbij horende honderden regelingen. Daarbij komt dat er interpretatieverschillen ontstaan tussen flexbedrijven.

TWEE KEER PER WEEK
Flexmarkt Nieuwsbrief
Het laatste nieuws over de flexbranche en de best gelezen artikelen.
Hoe leggen we het uit?
De één verwerkt extra vakantiedagen in het brutoloon, de ander in het Individueel Keuzebudget. Bij het IKB krijgt de werknemer een flexibel budget voor bijvoorbeeld extra verlof of uitbetaling. Deze variatie bestond niet onder de oude regeling met tien elementen. Hoe leg je dat uit aan een inspecteur of aan de flexwerker zelf? En dan de kosten. De kostprijs stijgt met vijf tot tien procent voor normale uren, en voor toeslaguren zelfs tot twintig procent. Pensioenpremies gaan omhoog en doorbetaling bij ziekte wordt duurder.
Flexwerk wordt per definitie duurder dan vast werk en dat zet de markt zwaar onder druk. Uitzendbureaus die niet kunnen automatiseren, krijgen het zwaar. Kleine bureaus haken af en overnames zijn aan de orde van de dag. Er wordt elke dag wel een uitzendbureau aan een grotere speler aangeboden. Bij dit alles komt de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten. Voor SNA-gecertificeerde bureaus lijkt dat een formaliteit, maar voor niet-gecertificeerde spelers is het een enorme hobbel. Samen met de cao is het voor velen reden om te stoppen. De taart van uitzenden wordt kleiner. Flex blijft nodig voor ‘piek en ziek’, maar de branche krimpt.
Kostenbesparing
Het is maar afwachten hoe de loonstrook uitpakt voor de flexwerker. Verschillen de tien punten echt zoveel van de uitbetaling bij de nieuwe cao? We gaan het zien op de eerste loonstrookjes. Natuurlijk, het pensioen wordt vast beter en de doorbetaling bij ziekte ook. Daar tegenover staat dat scholing, nu nog verplicht via een branchebijdrage van 1,02 procent, verdwijnt. Het is nu aan de opdrachtgever: wat wil hij of zij kwijt aan scholing voor de uitzendkracht? Mag je een bijdrage van de opdrachtgever hiervoor verwachten? Of ziet deze hier een mooie kans tot kostenbesparing?
Had het anders gekund? Ja, daar ben ik van overtuigd. We hadden prima verder gekund met de tien punten en als de Arbeidsinspectie zwaarder had ingezet op handhaving om de rotte appels uit de branche te gooien, hadden we ook geen Wtta nodig gehad. Maar we zijn het punt van terugdraaien voorbij. Wat rest, is berusting. Als je het niet meer ziet zitten, bied je je uitzendbureau aan aan een grotere partij. Als je je aan cao en Wtta aanpast, wacht je een monsterklus. Het is niet voor niets dat softwareleveranciers en adviseurs in de flexbranche tot over hun oren in het werk zitten. Er kloppen zoveel klanten aan dat het bij een adviseur zelfs leidt tot standaard antwoordmail. Ze kunnen niet alle vragen meteen van antwoord meer voorzien. Dat effect kunnen we ook verwachten bij de voor de Wtta certificerende instanties. Mijn conclusie: meer zekerheid is een mooi streven. Maar als het leidt tot meer bureaucratie, minder scholing en het nog maar de vraag is wat de flexwerker ermee opschiet, dan zijn we overduidelijk doorgeschoten.
Ronald Bruins, hoofdredacteur Flexmarkt
Reageren? Dat kan via ronaldbruins@vmnmedia.nl
Lees ook: “AI is geen wondermiddel, maar wel een versneller”