De ontwikkeling van de flexschil en de toekomst van uitzenden

0

Ook in dit ‘coronajaar’ heeft TNO in opdracht van de ABU weer onderzoek gedaan naar het flexgedrag van werkgevers. Tot nog toe kwamen de voorspellingen vrijwel helemaal uit. Flexmarkt-hoofredacteur Wim Davidse duidt de analyses van TNO en schetst een toekomst vol kansen voor uitzenders.

In de zomer van 2017 piekte de flexschil volgens de cijfers van het CBS op een niveau van ruim 35%. Dit gebeurde na een steile klim in de voorafgaande 7 jaren, door mij de ‘flexplosie’ genoemd. Middenin de financiële- en eurocrisis die Europa toen jarenlang verlamde, ging in Nederland de turbo op de flexvraag van werkgevers. Net voor die crisis, in het najaar van 2007, had TNO in opdracht van de ABU gerapporteerd dat werkgevers verwachtten dat hun flexschil verder zou groeien. Uit ‘De toekomst van flexibele arbeid’ bleek dat werkgevers van plan waren het flex-aandeel van 20% van hun personeelsbestand te vergroten naar 25% in 2015.

Wim Davidse

Wim Davidse, hoofdredacteur Flexmarkt en oprichter Dzjeng

Flexschil groeit verder

Tijdens de crisisjaren bleek uit de feiten, elk kwartaal gepubliceerd door het CBS, dat die voorspelling werkelijkheid leek te gaan worden. En dan nog wat sneller dan voorspeld. Toen Lodewijk Asscher in het najaar van 2012 minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) werd in het kabinet Rutte II, besloot hij daar dan ook paal en perk aan te stellen. Hij kwam in 2014 met de Wet werk en zekerheid (WWZ), de opvolger van de in 1999 in werking getreden Wet flexibiliteit en zekerheid (WFZ). Die WFZ was in Asschers optiek niet geslaagd en de WWZ moest eindelijk korte metten gaan maken met de sterke en in Europees verband zeker flexgroei in Nederland. De WWZ zou in de zomer van 2015 in werking treden. In het voorjaar van 2014 kwam het tweede TNO-rapport uit. Daarin hadden de TNO-onderzoekers ook al antwoord op de vraag naar de mogelijke impact van de WWZ. De ontnuchterende constatering was dat de onderzochte werkgevers wel verwachtten dat die een omschakeling in hun werkwijze met zich mee zou brengen, maar geen impact op de flexschil zou hebben. Het rapport ‘De toekomst van flex’ voorspelde dan ook dat de flexschil de volgende jaren weer verder zou groeien. Van 26% in het voorgaande jaar naar 30% in 2020.

Recordniveau flex

Een half jaar voor het verschijnen van ‘De toekomst van flex’ was de periode van vijf jaar van crisis afgelopen. Drie jaren van onophoudelijke groei van de economie, de werkgelegenheid en de flexschil volgden. Elk kwartaal pasten de nieuwe flex-feiten keurig in het voorspelde groeipad. De flexschil belandde in de zomer van 2017 op een all time recordniveau. Volgens het CBS had toen 35,3% van alle werkenden geen vast contract. In het najaar van 2017 trad het kabinet-Rutte III aan, met Wouter Koolmees als nieuwe minister van SZW. De WWZ had duidelijk z’n werk niet gedaan. De wet werd niet eens geëvalueerd en direct afgeschreven.
Koolmees ging in hoog tempo aan een nieuwe, ingrijpende wet werken. Dat werd de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab), die hij al in het voorjaar van 2019 door de Tweede en de Eerste Kamer kreeg geloodst. Intussen was de krapte op de arbeidsmarkt alweer enorm. Net als in de jaren 2000-2002 en 2007-2008 was de werkloosheid onder de 4%  gezakt. Met wederom als gevolg dat werkgevers hun vacatures vaak nog met grote moeite of zelfs niet vervuld kregen. Van die twee voorgaande keren hadden we al geleerd dat werkgevers onder deze omstandigheden kandidaten veel sneller een vast contract aanbieden. Om nieuwe mensen zo lang mogelijk te kunnen binden. Dat drukte dan de groei en zelfs de omvang van de flexschil. Terwijl de Wab door de Kamers werd behandeld, was het aantal vaste contracten aan een unieke groei bezig: elk kwartaal groeide hun aantal met 3 tot 4%. De flexschil omvatte inmiddels nog 34% van alle werkenden, om in de tweede helft van 2019 verder te krimpen naar iets meer dan 33%.

Derde TNO-onderzoek

En toen begon TNO aan het derde onderzoek. Begin maart 2020 was dat gereed, getiteld ‘Flexibiliteitsmaatregelen van bedrijven. Nu en in de toekomst’. Vanwege de coronacrisis besloot opdrachtgever ABU de publicatie van de resultaten tot nader order uit te stellen. In oktober bleek dat de bevindingen de corona-impact hadden overleefd. De onderzoekers hadden vastgesteld dat de krapte op de arbeidsmarkt en de Wab grote indruk maakten op de werkgevers van Nederland. En die voorspelden nu dan ook voor het eerst niet een verdere groei van de flexschil, maar een krimp. Een aanzienlijke krimp zelfs, van 28% van hun personeelsbestand in 2019 naar 19% van hun personeelsbestand in 2025. Of vertaald volgens de CBS-definitie: van 34 naar 25% van alle werkenden.

Lees ook: flexschil wordt kleiner, maar uitzenden belangrijker

Meer uitzenden

De Wab maakte niet alleen uitzenden, maar alle flexibele contracten duurder. De aanbevelingen van de Commissie Regulering van Werk (Commissie Borstlap), voorzien erin om flex nog wat onaantrekkelijker te maken. En de schaarste op de arbeidsmarkt zal na dit corona-jaar weer snel terug zijn. Dat lijken allemaal ontwikkelingen die de omvang en het aandeel van de flexschil de komende jaren inderdaad onder druk zullen zetten. Maar zeker niet tot nul reduceren.
Want de coronacrisis is inmiddels de derde serieuze crisisperiode in deze 21e eeuw: we begonnen direct met een internetbeurscrisis, gecombineerd met een terroristische aanslag in New York. Waarna eerst nog de ontwrichtende combinatie van de hypotheken- en financiële en eurocrisis volgde. Het is niet meer dan goed ondernemerschap om nu ook al rekening te houden met een volgende crisis – wat ook de onverwachte oorzaak daarvan zal zijn. Werkgevers willen daarom een serieuze minimale mogelijkheid houden om snel hun personeelsbestanden aan te kunnen passen.

Het is nu aannemelijk dat werkgevers hun flexschil willen verkleinen, maar daarvan een groter deel zullen uitbesteden aan flex-experts, zoals de uitzendbureaus.

Interne flexschil duurder

In het TNO-rapport worden ook de verschillende componenten van de flexschil gekwantificeerd. De belangrijkste is de interne flexschil, de flexwerkers die werkgevers zelf in dienst hebben. Deze schil bestaat uit eigen werknemers met een flexibel contract, zoals tijdelijke krachten, mensen met een proeftijdcontract en op roepkrachten. De interne flexschil groeide sterk, tot net geen 21% in 2019. De externe flexschil bleef stabiel op zo’n 7% van de personeelsbestanden. Uit de CBS-data blijkt dat de flex-component bestaande uit de uitzendkrachten sinds 2004 met de economie mee op en neer golfde, binnen de brandbreedte van 2 tot 4% van de werkenden. Het grootste deel van de flexschil, namelijk driekwart, was en is dus gewoon in dienst bij de werkgevers. De Wab heeft ook deze interne flexschil duurder gemaakt. En de, laten we zeggen ‘flex-ontmoedigende, aanbevelingen van Borstlap hebben er ook invloed op. Sterker nog, die komen er als het aan de Commissie ligt, op neer dat er straks ‘idealiter’ nog maar drie contract-smaken zijn: werknemers met een vast contract, uitzendkrachten en zelfstandigen.
De Wab maakt niet alleen interne flex en uitzendkrachten duurder. Het maakt ook werkgeverschap complexer en risicovoller. Toen de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte eind 2003 iets soortgelijks deed, volgde de flexplosie. Het is nu aannemelijk dat werkgevers hun flexschil willen verkleinen, maar daarvan een groter deel zullen uitbesteden aan flex-experts, zoals de uitzendbureaus.

Kansen flexondernmers

Voor het eerst heeft TNO voor dit derde flexrapport onderzoek gedaan naar de motieven van werkgevers voor de inzet van uitzendkrachten. Sarike Verbiest, onderzoeker en adviseur flexibele arbeid bij TNO, vindt met name de twee ‘ontzorg’-functies interessant. “De eerste gaat om het ontzorgen bij het werven van personeel. Men kiest voor uitzenders, omdat zij een veel bredere kijk op de arbeidsmarkt hebben. En dan is er de ontzorgfunctie voor wat betreft het selecteren van personeel, inwerken, plannen en poolmanagement. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat minder dan de helft van de ondervraagden dit als reden opgeeft. Dus dat biedt uitzenders kansen om meer toegevoegde waarde te creëren. Slechts 10% van de bedrijven neemt andere diensten af van uitzender naast puur inzetten uitzendkrachten. Daar zit dus echt ruimte.”

Brede inzetbaarheid

Uitzenden is dus niet de enige, maar vermoedelijk wel een in belang groeiende component van de flexschil. Overigens hebben organisaties nog andere mogelijkheden om hun flexibiliteit, oftewel hun wendbaarheid, te versterken. In het rapport heeft TNO ook deze keer weer niet alleen aandacht gegeven aan flexibele contracten, maar ook aan andere flexibiliteitsmaatregelen die werkgevers kunnen treffen. Voorbeelden daarvan zijn overwerken, flexibele werktijden, werktempo aanpassen en brede inzetbaarheid. Flexibele contracten blijken door minder werkgevers te worden ingezet dan overwerken en brede inzetbaarheid. Volgens Verbiest zal die laatstgenoemde maatregel nog verder in populariteit groeien – en zeker niet alleen omdat ook Borstlap er veel gewicht aan geeft.

Noodzaak wendbaarheid

De noodzaak van wendbaarheid in een turbulente wereld – eerder meer dan minder – wordt onderstreept door een ander langlopend onderzoek dat vlak voor de corona-lockdown gereed kwam: ‘Wendbaar in onzekere tijden. Strategietrends 2020’ van Berenschot. Naast de uitdagende arbeidsmarkt – schaarste, vergrijzing, wetgeving, duurzame inzetbaarheid, omscholing, de noodzaak tot meer soft skills, beroepen die verdwijnen of verschijnen, de vraag om purpose et cetera – zijn de belangrijkste topics op de gemiddelde directie-agenda: disruptie van het businessmodel en digitalisering van de organisatieprocessen. Werkgevers hebben hun handen nu en de komende jaren meer dan vol met ingewikkelde, ingrijpende veranderingen. Ze kunnen daarbij wel wat degelijke ondersteuning, begeleiding en advisering gebruiken. Na de stevige coronarecessie volgen prachtige, nieuwe kansen voor uitzendbureaus.

 

 TNO versus CBS

CBS-cijfers zijn gebaseerd op de Enquête Beroepsbevolking (EBB). Dit is een enquête onder de totale werkzame beroepsbevolking, waaronder ook alle zelfstandigen met en zonder personeel. Daaronder bevinden zich ook zzp’ers die niet worden ingehuurd door een werkgever, zoals zelfstandige boeren of zzp’ers die een eigen product verkopen. In de TNO-rapportage gaat het om personen die geregistreerd stonden als onderdeel van de flexibele schil van de betreffende bedrijven, zoals gemeld door deze bedrijven. Het betreft hier dus rapportage vanuit het bedrijfsperspectief. Vooral als het gaat om het aandeel zzp’ers ziet TNO daardoor grote verschillen. In de TNO-rapportage hebben de bedrijven alleen die zzp’ers opgegeven die zij inhuren voor het verrichten van arbeid. Daardoor valt het percentage op basis van de EBB hoger uit dan in het rapport van TNO. Sinds 2014, toen het CBS met herziene definities van onder andere de beroepsbevolking kwam, ligt dit verschil op zo’n zes procentpunten.

 

Dit artikel van Flexmarkt-hoofdredacteur Wim Davidse, wordt eveneens gepubliceerd in de komende editie van Flexmarkt magazine, die a.s. vrijdag verschijnt.

Over Auteur

redactieflexmarkt

De redactie van Flexmarkt zorgt er gezamenlijk voor dat jij op de hoogte blijft van inspirerende en vooral betrouwbare vakinformatie over gerelateerde onderwerpen op gebied van flexwerkers, ondernemen, payroll en de uitzendbranche.

Reageer