TNO: flexschil wordt kleiner, maar uitzenden belangrijker

0

Nederlandse werkgvers verwachten dat de flexibele schil gaat krimpen van 28% naar 19% in 2025. Maar uitzendbureaus hebben volgens inleners specifieke toegevoegde waarde en kunnen dat uitbouwen.

Dat blijkt uit het onderzoek Ontwikkelingen flexibiliteitsmaatregelen van bedrijven in Nederland. Nu en in de toekomst, dat TNO begin dit jaar heeft uitgevoerd in opdracht van de ABU. Aan dit onderzoek deden 737 inlenende bedrijven deel.

Kleinere flexibele schil

De flexschil gaat dus sterk krimpen volgens werkgevers, en dat is voor het eerst deze eeuw. Uit eerdere onderzoeken door TNO in 2007 en 2013 bleek dat de totale flexibele schil van Nederlandse bedrijven respectievelijk 20% en 25% bedroeg. Die groei van de flexschil zette door naar 28%, maar werkgevers verwachten dus dat de  flexschil gaat krimpen naar 19% in 2025.

De verklaring die het TNO-onderzoek geeft voor de kleinere flexibele schil is de krapte op de arbeidsmarkt (dat leidt tot meer vaste contracten) en de komst van de WAB (die flex duurder heeft gemaakt). Daarnaast zouden werkgevers meer gebruik willen gaan maken van interne flexibiliteitsmaatregelen (in navolging van de aanbevelingen van de Commissie Borstlap).

Flexschil na coronacrisis

De ABU wil het onderzoek in 2021 laten herhalen om te kijken wat het effect van de coronacrisis op de flexibele schil bij bedrijven is. “De historie leert dat de flexschil groeit na een crisis. Bedrijven willen maximale wendbaarheid”, zo geeft flexstrateeg Wim Davidse aan. Maar TNO-onderzoeker Sarike Verbiest verwacht dat werkgevers blijvend meer zullen inzetten op interne flex. Daarbij moet men denken aan flexibele werktijden, bredere inzetbaarheid van personeel, een flexpool en/of roulatiebeleid van werknemers.

Uitzenden blijft

Ook keek TNO naar de impact van de WAB op flexwerk. Sarike Verbiest vat dit kort samen: “De helft van de bedrijven verwacht meer vaste contracten te zullen geven omdat flex duurder is geworden. Maar 80% van de bedrijven geeft ook aan dat zij gebruik zullen blijven maken van uitzendkrachten, of die nou duurder zijn geworden of niet. Die behoefte aan flexibiliteit blijft.”  Als motieven om gebruik te blijven maken van uitzendkrachten geven respondenten het opvangen van conjuncturele schommelingen, het opvangen van ziek en piek en de behoefte aan specifieke kennis. Werkgevers  prefereren uitzendwerk vanwege het uitzendbeding en de snelle beschikbaarheid van uitzendkrachten.

Lees ook: Flexbedrijven ondervinden financiële gevolgen WAB

Meer toegevoegde waarde uitzendbureaus

Een ander belangrijke conclusie uit het TNO-onderzoek is dat bijna de helft (46%) van de respondenten kansen ziet voor uitzenders om hun toegevoegde waarde voor inleners te vergroten. Daarbij moet men denken aan werving en selectie, het inwerken van flexkrachten, planning en poolmanagement. De verwachting is dan ook dat uitzendbureaus en inleners in de toekomst meer een strategisch partnerschap zullen aangaan. “Uitzenders moeten zich ontwikkelen tot leveranciers van wendbaarheid”, concludeert Davidse.

Naar aanleiding van het TNO-onderzoek heeft de ABU een webinar gehouden waarin flexstrateeg Wim Davidse en TNO-onderzoeker Sarike Verbiest hun visie geven.

Bron: ABU

Over Auteur

redactieflexmarkt

De redactie van Flexmarkt zorgt er gezamenlijk voor dat jij op de hoogte blijft van inspirerende en vooral betrouwbare vakinformatie over gerelateerde onderwerpen op gebied van flexwerkers, ondernemen, payroll en de uitzendbranche.

Reageer