Hendarin Mouselli: Combi uitzendbeding en vier weken nog levensvatbaar

0

De ABU- en NBBU-cao’s bepalen dat in Fase A/1-2 het uitzendbeding kan worden overeengekomen. In Fase B/3 geldt het uitzendbeding niet. Dat is onlangs nog maar eens bevestigd door de kantonrechter te Rotterdam. Sinds het uitzendbeding ingeval van ziekte niet kan worden toegepast, zien we in de praktijk een combinatie ontstaan van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding en een bepaalde duur (bijvoorbeeld vier weken). Onlangs moest de kantonrechter te Utrecht zich over de beëindiging van de uitzendovereenkomst met uitzendbeding en een bepaalde duur buigen. Naar aanleiding van deze uitspraak is er onrust ontstaan over vier weken contracten in Fase A/1-2 in combinatie met het uitzendbeding. Is de uitzendovereenkomst met uitzendbeding en een bepaalde duur nog levensvatbaar?  

Column Hendarin Mouselli

Volgens de kantonrechter te Utrecht niet. Die oordeelde dat de uitzendovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat de overeengekomen einddatum van de uitzendovereenkomst het einde van Fase A/1-2 is en niet dus telkens na afloop van die vier weken. Oftewel, 52 weken na aanvang van de uitzendovereenkomst eindigde de uitzendovereenkomst. De reden hiervan is onder meer – zonder dat daarbij voorwaarden worden genoemd – dat het contract elke 4 weken stilzwijgend werd verlengd tot het begin van Fase B/3 (Fase A/1-2 duurt 52 weken). De kantonrechter oordeelde dat de onduidelijkheid over de einddatum voor rekening van de werkgever moet komen en concludeert dat de uitzendovereenkomst 52 weken duurt.  

Behoefte aan flexibiliteit

Een andere interessante overweging van de kantonrechter is dat een uitzendovereenkomst als functie heeft om tegemoet te komen aan de behoefte van inleners om naast vaste krachten ook te beschikken over een flexibele schil van uitzendkrachten. Een uitzendovereenkomst dient volgens de kantonrechter niet noodzakelijkerwijs om daarmee tegemoet te komen aan de behoefte van een uitzendwerkgever aan flexibiliteit. De wens van de formele werkgever om de uitzendovereenkomst telkens na afloop van een periode van 4 weken te kunnen beëindigen, lijkt er vooral op te zijn gericht om de vrijheid te behouden de uitzendovereenkomst telkens na afloop van 4 weken van rechtswege te laten eindigen. In het bijzonder bij een zieke werknemer. Dat volgt volgens de kantonrechter niet zonder meer uit de aard en functie van de uitzendovereenkomst. Klopt dat?  

De uitzendovereenkomst beantwoordt, anders dan de kantonrechter oordeelt, in mijn visie niet alleen aan de behoeften van inleners aan flexibiliteit. Het beantwoordt juist ook aan de behoeften van werknemers om werk en privéleven te combineren. De uitzendovereenkomst draagt bovendien bij tot het scheppen van banen en tot de deelname aan en de inpassing op de arbeidsmarkt.  

Is het einde van de uitzendovereenkomst met uitzendbeding in combinatie met een bepaalde duur in zicht? Daar is het laatste woord nog niet over gezegd en geschreven. Een en ander hangt in mijn visie mede af van de formulering van het uitzendbeding in combinatie met de duur, de stilzwijgende verlengging en de concrete feiten en omstandigheden. Het is op dit moment niet duidelijk of er hoger beroep is/wordt ingesteld tegen de uitspraak. Ik zou het doen en gelijk ook maar prejudiciële vragen laten stellen.  

 Lees ook: Aanpassing Wet VBAR: impact voor de flexmarkt?

Over Auteur

Redacteur Flexmarkt

Reageren is niet mogelijk.