“Het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers (Wmzf) ligt momenteel op de snijtafel van de Tweede Kamer. Op 12 mei 2026 zal in de Tweede Kamer worden gestemd over dit wetsvoorstel. Afgelopen dinsdag 21 april 2026 werd in de Tweede Kamer al gestemd over een opvallend amendement van GroenLinks/PvdA-Kamerlid Mariëtte Patijn. De uitkomst? Het amendement werd in afgezwakte vorm aangenomen. Wat betekent dit nu concreet voor de uitzendmarkt?”
Tekst: Hendarin Mouselli
“Laten we beginnen bij de basis. Artikel 8 lid 1 Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) regelt op dit moment dat uitzendkrachten recht hebben op gelijke beloning (behandeling). Dit ziet op dit moment alleen op essentiële arbeidsvoorwaarden en niet op de overige arbeidsvoorwaarden. De Hoge Raad heeft in het Dosign-arrest verduidelijkt hoe ver die gelijkheid strekt. Tot nu toe bood artikel 8 lid 4 Waadi ruimte om via cao’s van dat principe af te wijken. En daar werd gretig gebruik van gemaakt.
Sterker nog: de nieuwe uitzend-cao’s (per 1 januari 2026) bouwen daarop voort met het concept gelijkwaardige beloning. Klinkt mooi – en dat is het ook – maar in de praktijk blijkt het een puzzel van formaat. Denk bijvoorbeeld aan regelingen zoals RVU-uitkeringen die geregeld zijn in inleen-cao’s waarbij premies worden afgedragen aan een stichting die dat beheert en uitkeert. Als uitzendbureau val je daarbuiten. Resultaat: niemand weet precies hoe dit netjes moet worden opgelost. Zelfs het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is nog zoekende.”
En dan komt het wetsvoorstel…
“De aanpassing van artikel 8 lid 1 Waadi met de Wmzf is vooral een verduidelijking. Geen grote schok dus. Maar lid 4? Dat wordt stevig op de schop genomen.
In de toekomst:
- Afwijken van gelijke beloning via inleen-cao’s? Niet meer mogelijk. Alleen via uitleen-cao’s kan nog worden afgeweken.
- Maar ook daar geldt: essentiële arbeidsvoorwaarden moeten gelijk/gelijkwaardig zijn.
- Ten aanzien van de overige arbeidsvoorwaarden (niet-essentiële) arbeidsvoorwaarden wordt voorgesteld om te bepalen dat deze ten minste gelijkwaardig moeten zijn ten opzichte van een werknemer in dienst van de inlener en werkzaam in een gelijke/gelijkwaardige functie als de ter beschikking gestelde arbeidskracht.
- De invulling van wat gelijkwaardig is, dient te worden vastgelegd in de uitleen-cao. Bij cao van de uitlener kan een ten minste gelijkwaardig totaal aan arbeidsvoorwaarden worden afgesproken, waar loon en overige vergoedingen en de regelingen over arbeids- en rusttijden eveneens ten minste gelijkwaardig dienen te zijn.
Wat het verschil is tussen “essentiële” en “niet-essentiële” arbeidsvoorwaarden blijft overigens vaag. Pensioen lijkt te behoren tot de categorie “niet-essentieel”, maar verder blijft het mistig. En dat maakt de uitvoering er niet bepaald eenvoudiger op.”
Echter: het amendement-Patijn
“Met het amendement-Patijn krijgt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister SZW) de bevoegdheid om via een algemene maatregel van bestuur (AMvB) arbeidsvoorwaarden aan te wijzen waarvan niet bij cao mag worden afgeweken.
Dat gaat verder dan de Uitzendrichtlijn én verder dan het SER MLT-advies. En daar wringt het wat mij betreft.
Waar het SER MLT-advies juist inzet op het voorkomen van concurrentie op arbeidsvoorwaarden mét behoud van de rol van sociale partners, schuift dit amendement diezelfde partners deels opzij. De minister SZW krijgt immers de sleutel in handen.”
Een paradox in polderland
“Ironisch genoeg lijkt dit goed nieuws voor vakbonden FNV en CNV: wat niet lukte aan de onderhandelingstafel, kan straks via Den Haag worden geregeld. Tegelijkertijd snijden ze zichzelf in de vingers. Want wat blijft er nog over om over te onderhandelen als de minister SZW straks bepaalt waar de grenzen liggen? Ik ben reuze benieuwd hoe de minister SZW dat straks gaat doen. En hoe leg je het straks uit aan een uitzendkracht die op maandag bij bedrijf A werkt en betere arbeidsvoorwaarden heeft dan hij op vrijdag bij bedrijf B heeft? Dat is geen theoretische vraag, maar dagelijkse realiteit.”
De praktijk is weerbarstig
“De huidige cao’s laten al zien hoe complex “gelijkwaardigheid” is. Het is geen rekensom, maar maatwerk en denkwerk. Sommige arbeidsvoorwaarden laten zich simpelweg niet één-op-één vergelijken. En juist daar hadden sociale partners een cruciale rol kunnen pakken: duidelijkheid scheppen en meebeslissen. In plaats daarvan wordt nu een deel van die verantwoordelijkheid verschoven naar de minister SZW. Maar meer centrale sturing betekent niet automatisch betere oplossingen.”
En dan nog dit…
“De beoogde gelijke behandelingsnorm van uitzendkrachten is begrijpelijk en ook de rechtvaardigen. Tegelijkertijd is de gelijke behandeling van ondernemers net zo te rechtvaardigen, toch? De nieuwe regels raken ook aan de onderhandelingsvrijheid van partijen bij een arbeidsovereenkomst. Neem all-in loonafspraken: die zijn toegestaan, mits dat ook goed en in lijn met wettelijke regels is geregeld. De Waadi schrijft voor wat je moet bieden, maar niet per se hoe. Waarom zou je uitzendondernemers ten opzichte van andere werkgevers op dat punt ongelijk willen behandelen? Gelijke behandeling zou wat mij betreft ook moeten werken richting uitzendondernemers.
Dit zijn van die momenten waarop je je afvraagt: wat was er mis met het poldermodel? Gewoon onderhandelen, geven en nemen en samen tot werkbare oplossingen komen.
Voor nu is het afwachten op de exacte uitwerking en de stemming op 12 mei a.s. ten aanzien van de Wmzf. Daarna mag de Eerste Kamer zich er nog over buigen. Zal het polderen wellicht dan toch nog terugkomen?”
Lees ook: NBBU: “Wijziging Wet meer zekerheid flexwerkers onbegrijpelijk en onnavolgbaar”