Een nieuw hoofdstuk in de Wet-DBA-Uber-saga. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 27 januari jl. namelijk geoordeeld dat zes chauffeurs die voor Uber werken dat niet doen op basis van een arbeidsovereenkomst.[1]
Het Hof benoemt een aantal aspecten van ondernemerschap en oordeelt dat die zo zwaar wegen dat die tot de conclusie leiden dat de chauffeurs ondernemer zijn. Zij zijn volgens het Hof niet in dienstbetrekking, maar zelfstandig ondernemer. Het Hof oordeelt ook dat niet is bewezen dat een groep of groepen chauffeurs wel in dienstbetrekking werkzaam zijn. Waar de rechtbank Amsterdam het gelijk in eerste aanleg nog aan vakbond FNV gaf, kiest het Hof dus voor een andere benadering, of beter gezegd: een andere uitkomst. Wat betekent dit voor de praktijk in het zelfstandigenlandschap, met ook een schuin oog gericht op de fiscaliteit? Welke aspecten acht het Hof relevant bij zijn oordeel dat sprake is van zelfstandigheid?
Angelique Perdaems deelt haar expertise in jurisprudentie via columns voor Flexmarkt.
Tussen de rechtbankuitspraak en deze recente uitspraak van het Gerechtshof heeft nog een rondje Hoge Raad plaatsgevonden. Het Gerechtshof had eerder bij tussenarrest namelijk prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De beantwoording hiervan door de Hoge Raad wordt ook wel aangeduid als (hoe verrassend) het Uber-arrest van de Hoge Raad, waarover ik in een eerdere blog al uitgebreider schreef: Wet DBA: Van Deliveroo naar Uber en controles door de Belastingdienst – Flexmarkt.
De kern van deze prejudiciële vragen zag op het belang van de omstandigheid of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen (‘ondernemerschap’). De Hoge Raad benadrukte in 2025 dat geen rangorde is aangebracht tussen de diverse omstandigheden uit het Deliveroo-arrest die van belang zijn voor de vraag of iemand al dan niet werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Daarmee werd beslist dat ‘ondernemerschap’ niet van ondergeschikt belang is. Mede aan de hand daarvan komt het Hof Amsterdam voor de zes Uber-chauffeurs nu tot de conclusie dat zij niet in dienstbetrekking werken. De Hoge Raad liet in zijn prejudiciële beslissing van februari 2025 echter wel al blijken dat het goed zo kan zijn dat ten aanzien van hetzelfde werk voor de één wel een arbeidsovereenkomst aanwezig moet worden geacht en voor een ander niet. In die zin kan dit oordeel van het Gerechtshof niet zonder meer doorgetrokken worden naar alle Uber-chauffeurs. Maar andersom geldt dat natuurlijk evengoed, zo blijkt wel uit deze uitspraak.
Onvoldoende bewijs geleverd
Het Hof overweegt dat het met het geleverde bewijs voor het Hof onmogelijk is een groep van chauffeurs aan te wijzen bij wie het ondernemerschap zo weinig gewicht in de schaal legt dat de elementen die op een arbeidsovereenkomst duiden zwaarder blijven wegen. Het Hof oordeelt dat er onvoldoende bewijs is geleverd waaruit volgt dat voor een groep of meerdere groepen chauffeurs wel sprake is van een dienstbetrekking. En daarmee wordt de FNV dus duidelijk in het ongelijk gesteld. Dat is wat mij betreft een positieve uitkomst voor al diegenen die werk verrichten met een sterk aspect van ondernemerschap. Daar moet en zal terecht ruimte voor blijven bestaan.
Zoals gezegd kan met deze uitspraak van het Hof in de hand ook met een schuin oog naar de fiscaliteit gekeken worden. In dat kader valt ook de samenstelling van het Gerechtshof op dat deze uitspraak heeft gedaan. Dat betreft namelijk een team van de afdeling civiel recht én belastingrecht, zo is uit de uitspraak af te leiden. Dat kan verklaard worden door het feit dat de hoofdregel is dat voor fiscale doeleinden het civiele recht als uitgangspunt wordt genomen en het oordeel over al dan niet een dienstbetrekking ook fiscale gevolgen heeft.[2] Met deze Hofuitspraak in de hand kan dus ook de Belastingdienst – bijvoorbeeld voor de loon- en omzetbelasting – niet te snel concluderen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst in plaats van werk dat als zelfstandige ondernemer wordt verricht.
Acht omstandigheden van belang
Interessant is dan ook welke aspecten het Hof relevant acht bij zijn oordeel dat sprake is van ondernemerschap en dat dit zo zwaar weegt dat er geen dienstbetrekking is. Het Hof acht de volgende omstandigheden van belang:
- Investeringen in het bedrijfsmiddel (de auto): de chauffeurs kiezen zelf voor een goedkope of dure auto, de kosten voor de auto komen voor hun rekening en financiële risico’s zoals schade komen voor hun rekening;
- Vrijheid in werktijden: de chauffeurs bepalen volledig zelf wanneer zij werken en zijn vrij om in te loggen en uit te loggen wanneer ze willen;
- Vrijheid in keuze werk: de chauffeurs bepalen hun eigen strategie bij het accepteren of weigeren van ritten, zoals ook het vermijden van ritten met lange aanrijdtijd;
- Verdienmodel is afhankelijk van eigen keuzes en strategie: de verdiensten variëren sterk afhankelijk van regio, eigen klantenkring, selectiviteit en werktijden;
- Meerdere opdrachtgevers/inkomensbronnen: chauffeurs werken voor meerdere platforms en andere taxibedrijven;
- Eigen acquisitie: chauffeurs werven eigen klanten of onderhouden een klantenbestand, er worden visitekaartjes gemaakt en verschillende apps gebruikt;
- Administratie en fiscale positie: chauffeurs zijn ingeschreven bij de KvK, voeren een administratie en maken gebruik van fiscale ondernemersregelingen;
- Keuzevrijheid in ondernemersstrategie: chauffeurs kiezen doelgroep en type auto alsmede regio en soort ritten.
Bij de beoordeling of een arbeidsrelatie aanwezig is vormen dit nuttige aanknopingspunten. Aan de hand van deze aanknopingspunten kan worden betoogd dat sprake is van ondernemerschap en dat dit een belangrijke omstandigheid is binnen de genoemde Deliveroo-criteria.
Als u te maken krijgt met een controle door de Belastingdienst of verzeild raakt in een discussie hieromtrent, aarzel dan niet om contact op te nemen, zodat recht wordt gedaan aan uw individuele situatie. Zeker nu de zachte landing van de opheffing van het handhavingsmoratorium per 1 januari jongstleden grotendeels is komen te vervallen, kunnen de fiscale gevolgen groot zijn. De verwachting is ook dat de Belastingdienst hier steeds actiever op zal handhaven en inmiddels kunnen er in geval van opzet of grove schuld ook weer vergrijpboeten worden opgelegd. Daar moet echter hoe dan ook terughoudend mee worden omgegaan. Toch is er alle reden om hier als belastingplichtige scherp op te blijven en niet te snel mee te gaan in een standpunt van de Belastingdienst. Uit de (civiele) uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam blijkt immers maar weer dat een dienstbetrekking niet te snel moet worden aangenomen.
Lees ook: Nick Bos (Nedflex) over cao: “Het was een kwestie van goed uitleggen wat er aankwam en snel handelen”
[1] Hof Amsterdam 27 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:163.
[2] Zie o.a. Hof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2236, r.o. 4.9.